Leesvoer voor wetenschapsjournalisten

Journalisten hebben een ethische code. Het is niet zo alsof elk land er wettelijke regels op na houdt, laat staan dat die code in elk land hetzelfde is. Wel zijn er grote overeenkomsten, zoals de waarde van juistheid, het beperken van laster en het beperken van de schade door berichtgeving. Journalisten handelen in dienst van de maatschappij en zoeken een balans tussen wat mensen willen weten en wat mensen zouden moeten weten. Helaas, doordat de media de afgelopen jaren veranderen, verandert de berichtgeving ook.

Nu kan ik kilobytes uitweiden over journalisten, waarom ze altijd gewantrouwd moeten worden en over nieuwe media, maar daar wil ik het nu niet over hebben. Sinds ik de Scheikundejongens begonnen ben, ben ik met een nieuw soort mens in aanraking gekomen: de wetenschapsjournalist.

Wetenschapsjournalistiek gaat over het begrijpbaar maken van wetenschappelijk onderzoek voor niet-specialisten. Dit betekent — vooral in de scheikunde — dat ingewikkelde en onbekende principes op een vereenvoudigde manier uitgelegd moeten worden. Helaas heb ik het gevoel dat er nu een hele andere soort van ethiek van toepassing is als waar bijvoorbeeld Julian Assange mee te maken heeft. Wat wil de journalist vertellen? Wat voor invloed heeft zijn eigen begrip van de stof op zijn bericht? Wat laat hij weg? Wat versimpelt hij en hoeveel versimpelt de wetenschapsjournalist? Ik geef toe: dit zijn eigenlijk verschrikkelijk ingewikkelde vragen. Ik ben nieuw in dit gebied, maar toch wil ik graag mijn gedachten over deze stof loslaten. Hoewel, de meeste wetenschapsjournalisten zijn nooit opgeleid tot journalist, maar als wetenschapper.

  • Geef een expliciete bron. Ik lees veel “Er is onderzoek gedaan naar…” en dat kan natuurlijk niet. Noem het onderzoekscentrum, de naam/namen van de wetenschapper(s) en het liefst een directe link naar de bron. Het mooiste is een volledige bronvermelding, inclusief DOI én internetadres, onderaan het artikel. In het uitzonderlijke geval dat een specialist geïnteresseerd is in het onderzoek, moet hij dat na kunnen vinden. Ook moet geïnteresseerd publiek een weg naar het uitgebreidere onderzoek kunnen vinden. Geef ook een bron als toegang tot het betreffende artikel geld kost.
  • Durf jargon te gebruiken. Schroom niet om eens per artikel de lezer iets te leren. De lezer kan best én het nieuwsfeit én een nieuw woord behappen. Wat mij betreft komt de definitie van “nanomateriaal” nog té weinig langs. Naarmate een bepaalde definitie vaker terug komt, zullen regelmatige lezers hem vanzelf leren. Een ander interessant soort deeltje dat ik nooit woordelijk tegenkom, maar dat wel vaak beschreven wordt, is “colloïde.” Hier en daar een definitie uitleggen, lijkt me vaak niet verkeerd.
  • Schrijf alleen over onderzoek dat belangrijk is. Het klinkt gek, maar ik kom geregeld artikelen tegen waarvan ik echt niet begrijp waarom dat nou interessant is voor niet-specialisten. Niet alles wat in Nature of Science terecht komt, is interessant genoeg om over te schrijven. Hoe graag die tijdschriften dat ook zouden willen. Vaak is het onderzoek fundamenteel genoeg om niet relevant te zijn voor niet-wetenschappers. Als gedachtenexperiment kun je jezelf afvragen wat voor duidelijke link dit onderzoek heeft met de gewone wereld.
  • Jij bent degene die hypes creëert. Journalisten schrijven over onderwerpen die mensen bezig houden. Maar als er meer over geschreven wordt, dan dat er onderzoek in gedaan wordt, is er iets mis. Dit is typisch het geval met nanotechnologie. Er wordt veel onderzoek gedaan in dat vakgebied, maar de hoeveelheid “doorbraken” waarover ik lees, zijn buitenproportioneel. Ik vind het hele “bewustwordings”-gedoe rondom nanotechnologie maar niks, maar het schijnt te moeten. Dat betekent niet dat er meer over verteld moet worden, dan mensen interessant vinden. We zitten heel dicht tegen die verzadigingsgrens aan, dus pas op. Schrijf ook eens over wat anders, of zoek naar een andere insteek.
  • Let op je taal. Er zijn een groot aantal strikte definities en zegswijzen in de wetenschap, die verkeerd gebruikt worden door het algemene publiek. Ik heb het hier niet alleen over het verschil tussen moleculen, metalen en zouten. Ook de woorden vloeistof, fluïdum, glas, kristal, deeltje, golf, kracht, attractie, interactie en zo nog een heleboel worden erg vaak door elkaar gebruikt. Wetenschappers hebben vaak strikte definities (met een reden) en zullen daar niet vanaf wijken. Het is belangrijk om niet te verwarren. Niet elk verschil hoeft uitgelegd te worden, maar het gebruik van woorden moet wel correct zijn.
  • Schrijf niet over onderzoek waar je niks vanaf weet. Gênant vaak kom ik populair-wetenschappelijke artikelen tegen waarin de wetenschapsjournalist duidelijk te weinig weet. Vooral bij controversiële onderwerpen geeft dit een scheef beeld van de verschillende standspunten. Neem nou de LHC: hoeveel journalisten weten hiervan de gevaren goed in te schatten? Als ik ze zo hoor, maar verdomd weinig.
  • Als je iets niet begrijpt: vraag hulp. Het kan natuurlijk altijd zo zijn dat jij degene op de redactie bent die het meest geschikt is om over een bepaald onderzoek te schrijven. Maar wat als je er eigenlijk niet genoeg vanaf weet om er een fatsoenlijk verhaal van te maken? Of nog algemener: je wil er een écht goed verhaal van maken, dus wil je een kijk op de zaak van iemand anders. Schroom niet, want er zijn altijd mensen die je iets uit willen leggen. Mail of bel gewoon een universiteit of onderzoekscentrum. Die hebben altijd een afdeling communicatie die je met liefde doorverwijzen naar de beste deskundige. En als dat niet lukt (wat helaas geregeld gebeurt), kun je altijd nog zelf op de site van de universiteit zoeken naar een geschikte deskundige. Krijg je een minder geschikte kandidaat aan de telefoon, dan wil die je best doorverwijzen.
  • Laat je artikel nakijken. Wij van de Scheikundejongens hechten verschrikkelijk veel waarde aan juistheid. Daarom proberen we elkaars artikelen zoveel mogelijk door elkaar na te laten kijken. En als er iemand van buitenaf een fout tegenkomt, schamen we ons omdat we die fout zelf niet hebben gezien. Gelukkig zijn onze missers meestal taalfouten, maar dat komt natuurlijk omdat we zo gehaaid zijn op het juist uitleggen van fenomenen. Deze tip is gerelateerd aan de vorige: als je zelfstandig een artikel hebt geschreven, maar je weet niet of al je stellingen wetenschappelijk juist zijn, kun je je artikel best ter review bij een collega/wetenschapper leggen.

Recentelijk zijn er wat vrije publicaties onder mijn aandacht gekomen die te maken hebben met wetenschapsjournalistiek. Het gaat hier om drie boeken die gratis en legaal te downloaden zijn: Why And How To Communicate Your Research en Taking Science To People van dr. Frank Burnet en Science And The Media van Donald Kennedy en Geneva Overholser. Deze drie boeken zijn zowel voor wetenschappers die voor een breed publiek schrijven, als voor journalisten die over wetenschap schrijven, als voor een breder publiek, erg interessant. Voormalig wetenschapsjournalist Tim Radford van The Guardian heeft recentelijk zijn ervaring uitgewerkt in 25 tips. Interessant is om na te gaan hoeveel waarde meneer Radford zijn eigen manifesto; ik vind het maar lastig te lezen.

Tot slot wil ik wetenschapsjournalisten die op Internet publiceren, waarschuwen. De kans is erg groot dat scholieren je artikel lezen en gebruiken voor een schoolverslag. Houd dit altijd in gedachten. Je publicatie blijft waarschijnlijk lang rondwaren op het Internet, dus een hoop mensen zouden eruit kunnen willen leren. Zorg er dus voor dat je niemand iets verkeerd aanleert. Het is namelijk maar lastig om van verkeerde gewoontes af te komen.

Boeken via ScienceBase en American Academy of Arts & Sciences

2 gedachten over “Leesvoer voor wetenschapsjournalisten”

Geef een reactie



Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *